ICT-problemen voorkomen en oplossen met contracten?!

Problemen met grote ICT-projecten halen regelmatig het nieuws. De indruk ontstaat dat bedrijven en vooral overheden op lichtzinnige wijze grote ICT-projecten opstarten en daarin verzand raken, zodat uiteindelijk miljoenen euro’s over de balk worden gegooid. Er is veel onderzoek gedaan naar het slagen en falen van ICT-projecten. Opvallend is dat de vraag niet wordt gesteld welke rol ICT- contracten daarbij spelen of kunnen spelen. Wat zijn de gebruikelijke contractvoorwaarden en hoe verhouden die zich tot de problematiek die bij grote ICT-projecten speelt? Kunnen contracten bijvoorbeeld bijdragen aan het slagen van ICT-projecten?

Drafting tips & skills: waar zijn mijn data?

ORP nummer 5-Juli 2016 jaargang 7, p. 39-40Reinout Rinzema Toegang tot persoonlijke of zakelijke data is belangrijker dan ooit. Papieren administratie verdwijnen in rap tempo. Gegevensverzamelingen worden steeds vaker buiten de deur geplaatst. Cloud-based oplossingen maken het eenvoudig en goedkoop om overal toegang te hebben tot gegevensverzamelingen. Maar wat als er iets fout gaat en blijkt dat er geen back-up van de gegevens is gemaakt? Diverse rechterlijke uitspraken laten zien dat ICT-dienstverleners niet zonder meer verantwoordelijk zijn.

Lees het artikel hier.

Computerrecht 2014/150: Hoe kan de kwaliteit van ICT systemen juridisch meetbaar worden gemaakt?

WK-logo-OG.png

Reinout Rinzema en Frank Melis in Computerrecht 2014/150 over de meetbaarheid van de kwaliteit van ICT systemen: "Dat het met de kwaliteit van ICT-systemen niet altijd goed is gesteld, is een publiek geheim. Volgens deskundigen leidt die gebrekkige kwaliteit tot grote kosten en frustraties., Betere kwaliteit van computersystemen zou dus zeer wenselijk zijn. Opmerkelijk is echter dat het in geschillen over de kwaliteit van ICT-systemen niet gemakkelijk blijkt om invulling te geven aan de term 'kwaliteit'. Hier hebben zowel de betrokken partijen zelf als juristen (gemachtigden, advocaten, rechters, etc.) moeite mee."

Lees het volledige artikel hier

Twee voor de prijs van één

NJB 2012, 2171Dick van Engelen. Een markt voor tweedehands software licenties en een nieuw Europees eigendomsrecht op 'bits & bytes'. Met het arrest UsedSoft vs. Oracle van 3 juli 2012 heeft het Hof van Justitie de handel in tweedehands software licenties mogelijk gemaakt. Het Hof leert dat de voor het vrij verkeer van goederen noodzakelijke uitputting van IE-rechten niet beperkt is tot de verkoop van lichamelijke zaken, maar ook geldt bij de verkoop van een onlichamelijke zaak als een kopie van een computerprogramma. Om het doel van een Europees vrije verkeer van goederen mogelijk te maken gebruikt het Hof van Justitie echter wel een inventief middel: de onthulling van een autonoom uit te leggen Europees eigendomsrecht op ‘bits & bytes’. Dit middel mag dan geheiligd zijn om het Europese doel van een functionerende binnenmarkt voor tweedehands software mogelijk te maken, maar het Hof van Justitie manifesteert zich zo wel als een olifant in de goederenrechtelijke porseleinkast van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek. Alle reden dus om de ‘ravage’ in ogenschouw te nemen en stil te staan bij de vraag wat dit voor de Nederlandse rechtspraktijk betekent.

Twee voor de prijs van één: Een markt voor tweedehands software licenties en een nieuw Europees eigendomsrecht op 'bits & bytes'

Pleidooi voor het kopen van standaardsoftware

NJB 2012, 1601, Reinout Rinzema. Standaardsoftware is een essentieel onderdeel van de maatschappij geworden. Ook economisch vertegenwoordigt standaardsoftware een miljardenbelang. Gezien de brede mogelijkheden die standaardsoftware biedt, wordt in het taalgebruik over het 'kopen' van standaardsoftware gesproken. Maar is er wel sprake van koop nu titel 7 van Boek 7 BW ('de kooptitel') veronderstelt dat koop betrekking heeft op zaken, dat wil zeggen 'voor menselijke beheersing vatbare stoffelijke objecten'? Software bestaat immers uit digitale informatie en daarom worstelen juristen al jaren met die vraag. Is de cd of dvd waarop de software staat dan misschien het stoffelijk object waar het om gaat? Onlangs oordeelde de Hoge Raad in de zaak aangespannen door 'de Beeldbrigade' dat het kooprecht volledig op de aanschaf van standaardcomputerprogrammatuur van toepassing kan zijn. Hiervoor gebruikte hij een teleologische redenering. Aan de worsteling met digitale informatie werd bovendien een eind gemaakt. De auteur pleit ervoor het kooprecht volledig op de levering van standaardsoftware van toepassing te verklaren. Of software door de rechthebbende op een drager dan wel via het internet beschikbaar wordt gesteld, zou daarbij niet moeten uitmaken. Ook concludeert hij dat de juridische term 'zaak' sowieso aan revisie toe is.

Pleidooi voor het kopen van standaardsoftware

Kwaliteit en software: een goede zaak

Computerrecht 2012/40, Reinout Rinzema. Software is inmiddels vrijwel een gebruiksgoed geworden. Dit roept ook vragen op over kwaliteitscriteria die juridisch aan software kunnen worden gesteld. Al vele jaren wordt echter geworsteld met het toekennen van een plaats aan software in ons verbintenissenrecht. Software is digitaal en bestaat uit bits en bytes. Veel belangrijke juridische begrippen, zoals de koopovereenkomst, zijn echter gekoppeld aan de stoffelijkheid van goederen.

Kwaliteit en software: een goede zaak

Over software en melkmachines

Tijdschrift: Recht in de informatiesamenleving, vol. 1, nr. 1 (2012)Reinout Rinzema en Frank Melis: Op 15 april 2011 deed de Hoge Raad een uitspraak die op het eerste gezicht aan het oog van de ICT jurist lijkt te zijn ontsnapt. De kwestie betrof een ondeugdelijke melkmachine die ondanks een stroom van klachten over steeds andere gebreken niet wilde functioneren. De machine voldeed volgens het Gerechtshof daardoor niet aan de conformiteiteis van artikel 7:17 BW – en de overeenkomst werd terecht door de koper ontbonden.De melkmachine bleek grotendeels een ‘robot’ te zijn en daardoor blijkt eens te meer dat de computer uit het domein van de ICT-juristen aan het breken is. Steeds meer producten worden immers door software aangestuurd. Maar schiet de rechter inmiddels niet door? Wordt door dit soort uitspraken niet te kort gedaan aan de specifieke juridische aspecten van computers en software? Is software wel te beschouwen als een “zaak” waarop het kooprecht van toepassing zou moeten zijn? Over software en melkmachines

Zekerheidsrechten op intellectuele eigendomsrechten: een heikel avontuur

Zekerheidsrechten dienen een solide bezit voor de zekerheidsrechthebbende/financier te zijn en tegen lage transactiekosten gevestigd kunnen worden. Dat is de taak waar de Nederlandse en internationale rechtsorde zich voor gesteld ziet. De opkomst van open innovatiemodellen waarbij technologie niet alleen maar 'in house' wordt ontwikkeld en geëxploiteerd, maar in de markt wordt ingekocht of aangeboden creëert markten voor technologieën en voor het benodigde risico kapitaal.

Het artikel

Intellectueel Kapitaal in de rechtspraak: 2007 onder de loep

In het augustus-nummer van IER verscheen het artikel Intellectueel Kapitaal in de rechtspraak: 2007 onder de loep van Dick van Engelen. Het artikel doet verslag van een empirisch onderzoek naar de behandeling van intellectuele eigendomszaken door de Nederlandse rechter in 2007

Met de publicatie van nagenoeg alle IE-uitspraken via verschillende elektronische databanken (zoals rechtspraak.nl, Boek9 en IEPT), ontstaat de mogelijkheid empirisch onderzoek te doen. Daarmee kan voor het eerst eenvoudig het antwoord gevonden worden op vragen als: hoeveel procedures worden er gevoerd, bij welke rechter en welke rechtsgebieden zijn daar aan de orde? Hoe succesvol zijn die procedures, en wat zijn de gemiddelde kansen in hoger beroep en cassatie. En last but not least hoe duur zijn die procedures en wat is het budget dat voor een procedure door een eiser of gedaagde gereserveerd dient te worden. Eén van de uitkomsten is dat van de 19 rechtbanken de rechtbanken in Den Haag en Amsterdam samen het leeuwendeel (54%) van de uitspraken in eerste aanleg voor hun rekening nemen. Een andere uitkomst is dat octrooizaken significant duurder zijn en significant vaker verloren worden door de eiser dan andere IE-zaken. Tevens kan met de introductie van de volledige proceskostenveroordelingen in 2007 de Nederlandse markt voor IE-procedures voor het eerst in kaart worden gebracht. Dan blijken we te kunnen praten over circa € 11 miljoen. Kortom, de nodige nuttige en minder nuttige feiten en wetenswaardigheden treden met deze toegenomen ontsluiting van de IE-rechtspraak via het internet voor het voetlicht.

IER, aflevering 4, augustus 2008, p. 179-193

Ambush marketing: party crashing voor gevorderden

Dick van Engelen en Susan Kaak - BMM Bulletin 2006, p 63-65:

Ambush marketing: Onuitgenodigd meldt men zich bij andermans feestje en doet het voorkomen het evenement mede mogelijk gemaakt te hebben of maakt gewoon dankbaar gebruik van mogelijkheid om het eigen merk op een kostenefficiënte manier onder de aandacht te brengen van het voor een ander bij elkaar gestroomde publiek. Men ligt als het ware in een hinderlaag klaar om toe te slaan als het evenement daar is. Wanneer dan nog een concurrent tot de sponsoren van het evenement behoort en die concurrent door de aldus opgezette hinderlaag aanmerkelijk minder voordeel uit zijn duurbetaalde sponsorprivileges kan behalen, dan zal duidelijk zijn dat de druiven voor zowel de organisator van het evenement als de offici?le sponsoren uitermate zuur kunnen zijn. Termen als free riding, oogsten zonder gezaaid te hebben, of parasitair gedrag vallen dan al gauw. Als men zich realiseert dat zonder sponsoring menig evenement uberhaupt niet gerealiseerd kan worden en de ambush marketeer als een ware piraat het voortbestaan van het evenement in gevaar kan brengen, dan dringt zich de gedachte op dat dergelijke praktijken verboden zouden moeten kunnen worden. Het recht laat zich door dergelijke subjectief ingekleurde kreten echter niet van de wijs brengen, en dient objectief te bepalen waar de grens voor het toelaatbare getrokken dient te worden. Vandaar deze inventarisatie van het juridische wapenarsenaal dat naar Nederlands recht in stelling gebracht kan worden.

Conclusie

Het juridisch arsenaal waarmee men tegen ambush marketing kan optreden lijkt naar Nederlands recht op zich voldoende houvast te bieden om de grenzen van het toelaatbare te kunnen bepalen. Een belangrijk wapen dat de organisatie van een evenement ten dienst staat zijn daarbij de contractuele beperkingen die met deelnemers en toeschouwers kunnen worden overeengekomen en in beginsel aan de organisator de mogelijkheid bieden om zelf de toepasselijke regels te dicteren. Daarmee kan de organisator een veel verdergaande bescherming afdwingen dan waarop hij met enkel intellectuele eigendomsrechten en het recht inzake de ongeoorloofde mededinging aanspraak kan maken. Gelet op het sterk eenmalige en vaak kortstondige karakter van ambush marketing is het voor een organisatie die daartegen wil optreden met name zaak tevoren de processuele middelen zo goed mogelijk voorbereid te hebben, zodat men met de spreekwoordelijke ?druk op de knop? het juridisch arsenaal in stelling gebracht kan worden, omdat men anders alleen maar achter de feiten aanholt en per saldo ?achter het net vist.? Waarschijnlijk nog belangrijker is dat de contractuele maatregelen die men kan treffen ook daadwerkelijk getroffen zijn en sprake is van sluitende en bindende overeenkomsten met deelnemers en publiek.

Het artikel

Uitputting van auteursrecht op software in de praktijk

AMI 2006-11, Reinout Rinzema. Het is eigenlijk verbazingwekkend: al sinds de jaren zestig zijn wij bekend met het fenomeen 'software', inmiddels zijn we zelfs een Europese richtlijn verder en nog steeds wordt geworsteld met vragen over software en uitputting. Waar blijft al die jurisprudentie over uitputting of beter gezegd, waarom is ze er niet? Vormt uitputting in de rechtspraktijk eigenlijk geen probleem?

Uitputting van auteursrecht op software in de praktijk

Onverkoopbare technologierechten

(Vindingrijk, april 2005) De Nederlandse innovatiekracht moet worden versterkt. Dat is de opdracht van het door premier Balkenende voorgezeten Innovatieplatform. Wil men innovatie stimuleren dan dient men uiteraard onnodige obstakels en kostenverhogende factoren te elimineren. Daarom is het van belang dat rechten op technologie eenvoudig en zonder al teveel kosten aan derden kunnen worden verkocht en overgedragen.  Aldus Dick van Engelen van Ventoux Advocaten in een artikel in het blad Vindingrijk (April 2005, p. 8)  van de Nederlandse Organisatie van Uitvinders:Vreemd genoeg is de verkoopbaarheid van technologie-rechten echter met het nieuw Burgerlijk Wetboek in 1992 ernstig beperkt en soms zelfs onmogelijk. Dat leidt tot allerhande juridische bananenschillen voor partijen die zich van die beperkingen niet bewust zijn. Dit betekent ook dat de kosten voor juridische bijstand bij overdrachten van rechten op technologie hoger uitvallen, als men de bananenschillen wil ontwijken. Vervolgens heeft dit ook nog een prijsdrukkend effect voor de waarde van technologierechten. Als de koper niet zeker weet dat hij rechthebbende is geworden zal hij uiteraard minder diep, of in het geheel niet, in de buidel willen tasten.

Overdraagbare rechten Waarom zitten we met deze ?gebakken peren?? De wetsgeschiedenis leert dat hier niet over is nagedacht. Bovendien kent het recht in de ons omringende landen deze beperking als regel niet, wat ook nog eens een negatieve indicatie voor Nederland als vestigingsland voor innovatieve ondernemingen en onderzoeksinstellingen oplevert.Waar gaat het over? Tot 1992 was de regel dat alle rechten overdraagbaar zijn, tenzij de wet of de aard van het recht zich daartegen verzet. Het nieuw Burgerlijk Wetboek handhaaft die regel voor eigendom en vorderingen, maar stelt in artikel 83 lid 3 van Boek 3 voor "alle andere rechten" dat die alleen overdraagbaar zijn wanneer de wet dat bepaalt. Enige toelichting voor deze koerswijziging is niet gegeven, wat verbaast omdat het oude recht zonder klachten functioneerde. Gevolg is echter dat men vanaf 1992 voor ieder recht dat men wil verkopen op zoek moet naar een wet die bepaalt dat dit recht overdraagbaar is. Juridisch rijst dan al de vraag of een verdrag ? zoals het Europees Octrooiverdrag ? ook als een wet in de zin van artikel 3:83(3) BW geldt. Dat lijkt voor de hand liggend, maar is nog geen uitgemaakte zaak. Ook rijst de vraag hoe expliciet de wet moet bepalen dat een recht overdraagbaar is: moet dat uitdrukkelijk worden aangegeven of is het voldoende dat uit het systeem van de wet volgt dat overdraagbaarheid kan? Ook hier ontbreekt rechtszekerheid en dat is bij een koopovereenkomst niet waar de koper op zit te wachten. Dat benadeelt uiteindelijk vooral de verkoper, want de koper zal deze risico?s in de prijs verdisconteren door deze naar beneden bij te stellen.

Waar zit de angel?Bij welke rechten speelt nu het probleem? Als we beginnen bij de Rijksoctrooiwet dan valt op dat artikel 64 in lid 1 bepaalt dat de aanspraak op octrooi en het (verleende) octrooi overdraagbaar zijn. De aanspraak op octrooi is het recht om een octrooiaanvrage in te dienen dat aan de uitvinder toekomt door het doen van de uitvinding. In de terminologie van de Rijksoctrooiwet is echter tussen de aanspraak op octrooi en het verleende octrooi sprake van een octrooiaanvrage. Die octrooiaanvrage wordt niet genoemd in artikel 64(1), maar artikel 64(2) leert dat de wetgever wel uitging van de mogelijkheid van overdracht van een octrooiaanvrage: de overdracht van de aanvrage kan wel in het octrooiregister worden ingeschreven. Nu een expliciete bepaling voor de octrooiaanvrage ontbreekt is het nog maar de vraag of de octrooiaanvrage wel overdraagbaar is. Dat is bizar, aangezien niemand gewild heeft dat een aanvrage niet overdraagbaar zou zijn. Het is zeer wel mogelijk dat de rechter uiteindelijk zal oordelen dat overdracht van een Nederlandse octrooiaanvrage wel mogelijk is, maar totdat de Hoge Raad daarover heeft beslist zal de praktijk met dit risico rekening houden. De oplossing is hier dat men in ieder geval steeds ook de aanspraak op octrooi uitdrukkelijk moet laten overdragen, maar daar moet dan wel aan gedacht worden bij het opstellen van de akte.

PrioriteitsrechtenVoor prioriteitsrechten zoekt men tevergeefs naar een wettelijke bepaling die in de overdracht voorziet. Een prioriteitsrecht is het recht om gedurende een jaar na het indienen van een octrooiaanvrage in een ander land ook een octrooiaanvrage in te dienen onder gebruikmaking van de eerste indieningsdatum. Dat prioriteitsrecht kan naar Nederlands recht niet verkocht worden. Naast deze rechten kunnen er ook vraagtekens geplaatst worden bij de overdraagbaarheid van het aan de uitvinder toekomende recht om een octrooi op te eisen dat ten onrechte door een derde is aangevraagd. Als een uitvinder een investeerder vindt die bereid is in de verdere ontwikkeling en exploitatie van de vinding te investeren of een koper voor zijn vinding heeft weten te interesseren, is het van belang dat in beginsel alle rechten van de uitvinder kunnen worden overgedragen. Dat kan zijn aan de koper of aan een vennootschap waarin uitvinder en investeerder aandeelhouder zijn. Dat zal dus niet mogelijk zijn voor alle rechten van de uitvinder. Partijen zullen vervolgens zorgvuldig in kaart moeten brengen waar de ?voetangels en klemmen? zitten en alternatieve scenario?s daarvoor moeten overeenkomen. Veel is mogelijk, maar men moet zich wel realiseren waar de bananenschillen liggen. Dat dwingt partijen tot het inwinnen van extra juridische advies en brengt extra kosten met zich. Het innovatieklimaat in Nederland is daarmee in ieder geval niet gediend.

Advies Het verdient dan ook de voorkeur om dit in 1992 ge?ntroduceerde nieuwe regime zo snel mogelijk te wijzigen. Daarvoor bestonden plannen, maar die inmiddels weer in een Haagse la verdwenen. Het Innovatieplatform kan eenvoudig scoren door die plannen weer nieuw leven in te blazen. Zolang dat echter nog niet gebeurd is dienen uitvinders, kopers en investeerders in technologie zorgvuldig met deze risico?s om te gaan om uitglijers te voorkomen.

Vindingrijk - April 2005 - p. 8

De juridische kwalificatie van outsourcingovereenkomsten

Computerrecht 2005/26, Reinout Rinzema.

Juridisch is outsourcing een verzamelbegrip zonder vastomlijnde inhoud en betekenis. Het is opvallend dat de meeste juridische literatuur nauwelijks op de raakvlakken met wettelijke kaders ingaat en zich concentreert op hetgeen in het contract zou moeten staan. Hoe moet de jurist echter een outsourcingrelatie duiden? In het recht rubriceert men immers graag; is het wettelijke begrippenkader ook van toepassing op de outsourcingovereenkomst of is er sprake van een sui generis contract? Alleen het ontrafelen van de outsourcingovereenkomst en nauwkeurige redactie kunnen (enig) soelaas bieden.

De juridische kwalificatie van outsourcingovereenkomsten